zondag 19 mei 2019

Gewichtig


   ‘Zeg, wat zit er een zand aan jouw ballen." Ik laat ze van schrik los. Dat is niet geheel zonder risico, want als er één op mijn tenen valt, eindigt het in een retourtje eerste hulp. Een groter probleem is mijn man. Hij kijkt me teleurgesteld van onder zijn oversized wenkbrauwen aan.
   ‘Dus je stoft ze niet af?’
   ‘Nope, je doet het maar lekker zelf.’
   ‘Je bent niet meer de huisvrouw die ik trouwde.’
   ‘Inderdaad, ik ben een buitenshuis werkende vrouw en je weet de impact op het huishouden: mannen moeten helpen. Dus, pak die doek en stof die ballen. Schiet op, ik krijg het koud en wil mijn handen wassen. Kijk hoe stoffig en zwart die zijn.’
   ‘Dan poets ik ze zelf maar.’ Marcel pakt de doek uit mijn fietstas.

Verliezer
Best zielig, want manlief had zijn avond sowieso niet. Sinds Pasen kan hij niet winnen van mij. De leerling is de leraar voorbij en dat zonder koffie. Zo speelden we gisteravond weer eens en fietste een kennis voorbij:
   ‘Je wint toch wel hè?’ Leuke hoor, fans.
   ‘Ik win altijd!’ Waarna ik me een bal in de rondte schaam en manlief aankijk: ‘Dat klonk behoorlijk arrogant. Zo ben ik niet.'
   Niet getreurd, een van de mooiste eigenschappen van mijn tegenspeler is dat hij tegen zijn verlies kan. Ik ken mensen waar dat anders is en de lol in Jeu de boules bij mij snel voorbij is. Weg met dat negatieve gewicht in het spel.

Gewicht
Daarover gesproken, boules ballen zijn zwaar! Het precieze gewicht rol ik later op het scherm.* Niet ik, maar Marcel sleept ze steeds mee richting Het Kant (kom hem eens aanmoedigen). Dat gesleep van die zes ballen moet gemakkelijker kunnen. Marcel verkiest ze in mijn fietstassen te doen en fietsend die kant op te gaan, maar ik verkies natuurlijk wandelen. Echt verrassend hè?

Al goed, die ballen willen we dichter bij de boules baan opslaan. Bijvoorbeeld in een kluis op het station. Geen idee of die daar zijn. Maar zeker is dat ik er geen cent voor richting de NS laat rollen.
   ‘Marcel jij sport om de hoek bij Anytime Fitness. Kunnen ze daar niet één kluisje 24/7 missen?’
   ‘Eén kluisje? Dus niet, we hebben er zes nodig, want die kluisjes zijn net groot genoeg voor de waardevolle spullen en meer niet.’
   ‘Dan moeten we een geheim luikje maken in de grond van de boules baan.’
   ‘Geheim? Kijk eens om je heen. We worden hier omringd door twee hoog gebouwde gebouwen. Hoeveel mensen volgen ons spel op de bal en wie weet hoeveel er aan mijn kant staan?’
   ‘Kom dan zwaaien we gelijk maar even naar ze.’
   ‘En de ballen?’
   ‘Zoals gebruikelijk ben jij gewend die naar huis te slepen.’
   ‘Verlies ik al steeds, moet ik dit gewicht ook slepen.’

Feliciteerles
Tja, dat verliezen. Daar kan hij mee leven, maar mij steeds de hand schudden en feliciteren?
   ‘Gefelici…,’ mompelt hij.
   ‘Nu dat ik je versta.’
   ‘Gefeliciteerd,’ klinkt harder, maar hij kijkt me niet aan.
   ‘Nu kijk je me erbij aan!’
   ‘Gefeliciteerd!’, klinkt zuchtend.
   ‘En nu alsof je het meent.’
   ‘Gefeliciteerd schat.’
   ‘Was dat zo moeilijk?’

Dubbel spel
Afgelopen vrijdag speelden we voor het eerst sinds de zomervakantie met vier: Marcel, Celine, Matthias (een vriend van Celine) en ik. Het maakte het spel spannender, want er kunnen maar zo zes ballen meer de weg naar de buut versperren. Drie kan nog wel, maar zes? Zo was het Matthias die door had dat als hij een meter naar links stapte hij wel een route kon vinden om voorbij zes ballen te komen. Hij zet die stap, maar hoorde onverwacht:
   ‘Boe,’ geroep.
   ‘Je moet daar blijven staan!’ Ik wijs op de cirkel in de grond.
   ‘Word ik gewoon in een hokje gestopt?’
   ‘Een hokje? Je staat in een rondje. Wees blij, nu kan je de hoek niet in.’

De verrassing van de avond was Celine. Over een ongelooflijke comeback gesproken. Zij stond bekend als slechtste speler, maar gooide de ene na de andere rake bal. Of ze schoot mij weg of ze rolde haar bal dichter bij de buut dan die van Marcel. Waar wij regelmatig speelden en zij nooit, schiet ze ons van de baan en definitely zonder koffie – lust ze niet. Volgens mij oefent zij in haar dromen.

Revanche
Ineens herinner ik me de woorden van eerder die avond: Ik win altijd!
   ‘Marcel, met deze score van 6-10 moeten we echt gaan knallen. Kom op!’ Als kreeg hij een bal in zijn kruis, schoot Marcel op. We wonnen de volgende ronde met één puntje. Met een heleboel eentjes win je uiteindelijk evengoed. Het volgende rondje won de tegenpartij, wat ons een extra impuls gaf. We knalden nog twee rondes en wonnen!
   ‘We rock, nee roll!’ Heerlijk om eindelijk eens samen te winnen.






* als één bal 724 gram is, dan wegen 6 ballen? Ja, hé, schrijven is mijn ding, niet rekenen. Reken het lekker zelf uit!

zondag 12 mei 2019

Zeem en spons


In elke hand hangt een zware bigshopper. Ik laat mijn auto achter me en loop door de brandgang recht op ons huis aan. Omdat mijn boodschappenlijst een groot aantal zware en grote artikelen toonde, wist ik dat de fietstassen XL niet toereikend zouden zijn. Die bigshoppers passen er in ieder geval niet in.
    Niet dat ik in de kofferbak van mijn auto zoveel meer bigshoppers kan proppen; twee dus. Eigenlijk past een koffer niet eens achterin. Weg met de benaming kofferbak, ik zeg boodschappenbak. Waarmee je eigenlijk mijn hele auto inclusief hebt benoemd. Mijn rood monstertje is, sinds autorijden mijn hobby niet meer is, niet meer dan een boodschappenkar. Ik kan er iets meer in meenemen dan in een kruiwagen, alleen hoef ik ‘m niet zelf te duwen. Stel dat men een elektrische kruiwagen bedenkt, dan kan het best zo eindigen dat ik met alle plezier voor gek ga lopen achter die kruiwagen en de KIA verkoop aan Celine. Zij blij, ik blij.

Haast?
Maar even hè, autorijden is mijn hobby niet meer en juist vandaag las ik over behoorlijk wat uitgeschreven boetes op de A2. Pak ze, die snelheidsidioten! Is de snelheidslimiet 80 km/u, rijdt iedereen 100; mogen we 100, rijdt iedereen 120; mogen we 130, rijden we 140. Wanneer is het genoeg? Waarom moet het altijd sneller? Vroeger reden we met paard en wagen. Lekker mindful, alle hobbels in de weg voelen, nu razen we als gekken aan alles voorbij, zelfs aan alle mooi. Zo jammer. Haast is stom!

Generaliserend
Ik weet dat ik de boel weer generaliseer. Dat is mijn specialiteit, ik ben zelfs nog lang niet klaar. Ik hou me wel aan de maximumsnelheid, maar voel me dan zo’n suffe muts. Men rijdt bijna tot op mijn bumper om me met knipperlichten te dwingen sneller te rijden. Ze zouden me bijna betoeteren, maar gelukkig blijven de handen weg van de claxon. Hoe kan het dat ik me schaam om het respecteren van de snelheidsregels?
    Besef ik ineens: zoals het in het verkeer is, zo leven we. Regels? Waar zij die voor?
    Laat maar, tot zover mijn irritatie over het tuig op de weg. Spreek ik mezelf toe: ‘let op je taalgebruik,’ en zoek een synoniem. Goed, schorriemorrie dat zijn ze!

Vogelflats
Verlaten we de actualiteit, terug naar mijn realiteit. Die waar ik de regels nog weet te handhaven. Ik loop op huis aan met mijn boodschappen en zie één van de kinderen aan tafel bezig zijn. Ik denk: please, please, please, kijk op! Hij kijkt niet op en zal de deur niet voor me openen. Daarom kan ik niet zonder moeite met alle gewichtigheid doorlopen, zo de keuken in.
    Bereik ik de gesloten deur, zie ik een flinke vogelsflats op de pas gezeemde ramen. Lekker dan! Dat wordt opnieuw zemen na vrijwilligerwerk.

Kom ik later opnieuw richting huis aan en merk een verandering op. Even denken: denk, denk, denk. Ik weet het, de vogelpoep is weg. Echt tof, één van mijn kinderen heeft het licht gezien! Het voelt bijna als moederdag.

Uitgelachen 
’s Avonds aan tafel klinkt mijn vraag:
    ‘Wie heeft de ramen zo mooi gezeemd?’
    ‘Ik!’, roept Celine, ‘krijg ik nu €10,-?’, en lacht zo hard dat ik bijna met een zeem haar tranen moet drogen.
    ‘Wat is hier zo lachwekkend?’
    ‘Je had papa’s gezicht moeten zien toen jij vroeg wie de ramen heeft gezeemd. Zijn wenkbrauwen stegen tot boven zijn haargrens en zijn ogen plopten zowat op zijn vork.’
    ‘Mam, het is gemakkelijker om in de oerknal te geloven dan te geloven dat één van ons je ramen heeft gezeemd. Ik weet niet eens hoe het moet,’ klinkt Benjamin.
    ‘Wie heeft het dan wel gedaan?’
    ‘De glazenwasser misschien?’
    ‘Hij zeemt alleen boven. Daar betaal ik hem voor.’
    ‘Irene, weet je zeker dat jij het niet zelf hebt gedaan? Laatst zag ik daar vogelpoep zitten en toen heb jij gezeemd.’
    ‘Klopt! Blijkbaar wil een pestvogel me stangen en flatste opnieuw zijn behoefte tegen mijn raam. Alsof ik niets beters te doen heb dan poetsen.’
    ‘Weet je het zeker?’
    ‘Zeg! Je mag echt denken dat ik last heb van ontoerekeningsvatbaarheid, maar dement ben ik zeker niet. En ondanks dyscalculie kan ik echt tellen dat dit de tweede vogelflats is die mijn raam ontsierde. Iemand heeft het weggehaald en ik was het niet! Wie dus wel?’
    ‘Dan zal het de buurvrouw wel zijn. Het kan toch dat zij bij het zemen dacht: ik haal die troep bij Irene gelijk maar even weg.’
    ‘Dat moet dan wel.’ Ik pak mijn phone om de buuf te interviewen.

Ontgoogeld
Ben ik bijna uitgetypt, gaat de deurbel! Ik loop naar de voordeur.
    Het is Stefan de glazenwasser. Dus toch. Ik wilde zo graag geloven dat één van mijn kinderen… laat ook maar. Het voelt of een kletsnatte spons boven mijn hoofd wordt uitgewrongen.

zondag 5 mei 2019

Wandelmaatje


Bij het voelen van de trilling aan zijn pols trek ik direct mijn arm uit die van hem.
    ‘Gaat dit de hele dag zo?’
    ‘Ja.’
    ‘Daar wordt je toch niet goed van? En dat bij elke mailtje, belletje, appje en…’
    ‘Toevallig zegt mijn horloge dat ik heel goed bezig ben.’
    ‘Serieus? Jij hebt toch niet nodig dat je horloge dat zegt? Ik zeg het zo vaak! Eigenlijk ben jij helemaal niet goed bezig, je bent ge-wel-dig bezig op je werk en als paps.’
    ‘En als echtgenoot?’
    ‘Dat kan natuurlijk altijd beter. Maar vraag het je smartwatch, zij weet het vast beter. Wat weet ze eigenlijk nog meer van jou? Is het eigenlijk een hij of zij?’
    ‘Wie?’
    ‘Dat ding om je pols, wat voor stem komt er uit?’
    ‘Als jij belt is het een vrouwenstem, als Hans belt een mannenstem.’
    ‘Suffie! Jij krijgt te horen dat je goed bezig bent. Wat voor stem zegt dat? Oh wacht, het is natuurlijk onzijdig. Heeft geen mannelijke noch vrouwelijke uiterlijke kenmerken. Het is een het!’ Zonder dat manlief verder iets zegt klets ik verder, wandelen we verder.

Slapende gesprekspartner
Dat heb ik wel vaker. Gesprekken met Marcel, waarin hij eigenlijk niets zegt en ik werkelijk tot waanzinnige inzichten kom. Zo wil ik nog wel eens voor het slapen gaan de dag bespreken, evalueren of herbeleven. Van zijn kant van het bed duurt het gesprek nooit zo lang en volgt vrij snel het moment dat zijn reactie helemaal achterwege blijft. Gelukkig ken ik hem zo goed, dat ik weet wat hij zou zeggen en antwoord dan met een zwaardere stem (alsof hij het is) mijn eigen antwoord. Soms reageert meneer nog net met:
    ‘Ik hoor het al. Je hebt mij niet meer nodig. Klets gezellig verder dan ga ik vast slapen.’ Drie tellen later is ie vertrokken en praat ik nog wat verder in zijn geest. Daarbij kom ik tot inzichten waar ik nooit voor heb gestudeerd.

Spierpijn
Als om me weer terug te halen bij onze wandeling voel ik opnieuw gebuzzz aan meneers pols.
    ‘Waar bemoeit ze zich nu weer mee?’
    ‘Ze zegt: goed tempo, hou dit vol.’
    ‘Goed tempo? Echt niet, ik loop mijn benen onder mijn lijf vandaan om jou bij te houden.’
    ‘Zo snel loop ik toch niet?’
    ‘Snel gaan we zeker niet, maar om in jouw ritme te lopen, moet ik enorme stappen zetten. Doe ik dat niet, dan lopen we zo uit de maat en voelt het niet fijn om aan je arm te lopen. Daarom probeer ik jouw maat voetstappen te zetten, maar het enige wat ik krijg is spierpijn op plekken waarvan ik niet wist dat ik daar spierpijn kan hebben.’
    ‘Waar dan?’
    You want details? Hier!’ Ik wijs naar de binnenkant van mijn bovenbenen. Alleen na een ochtend fitness kon ik die spieren vroeger wel eens voelen. Voor de rest is het nutteloze informatie.

Ongelijkheid
Voor de derde keer trilt Marcels pols. Ik laat hem definitief los.
    ‘Wil ik het weten?’
    ‘Het zegt dat mijn stappen vrij klein zijn en dat het vast en zeker komt omdat jij meeloopt.’
    ‘Wauw, dat ding weet gewoon dat ik bij je ben? Dit wordt wel heel eng.’
    ‘Geen zorgen, zij weet werkelijk alles van mij. Mijn afspraken, mijn berichten en…’
    ‘Jouw stappen! Vertel eens, hoe ver ben je?’
    ‘Ik zit op 7286.’
    ‘Ik tel 9373. Ik haal ruim 10.000 voordat we thuis zijn. Jij moet dan nog maar even een extra rondje lopen hè?’

Daarmee ontdek ik één voordeel van klein zijn. Met mijn korte beentjes zet ik natuurlijk kleinere en dus meer stappen dan manlief tijdens dezelfde wandeling.
    ‘Dus volgens jou moet ik nog een stuk verder wandelen?’
    ‘Of kleinere stappen nemen.’ Wat hij direct doet. ‘Volgens mij ziet het er niet uit, jij met je kleinere stappen.’
    ‘Dat boeit mij natuurlijk helemaal niet.’

Verdwaald
Mij boeit het zeker wel. Het ziet er grappig uit om meneer zulke kleine stappen te zien zetten en de teller sneller op te zien lopen. Ik let totaal niet meer op de route tot we onszelf op een onbekend plek terug vinden. Zo kan het lopen.
    Marcel hoef ik niet te raadplegen. Zijn richtingsgevoel is slecht. Ik vertrouw mij beter. Ik bedoel maar; hij navigeert dagelijks van zijn werk naar huis.
    ‘Jij weet toch wel waar we zijn?’
    ‘Nee, schatje, ik heb geen idee. Maar jouw geweldige steun en toeverlaat kan ons vast en zeker naar huis navigeren.’ Ik steek mijn handen in mijn zak, krijg het een beetje koud. ‘Zo kan ik mijn handen warm houden terwijl jij bij elke tril even snel kan kijken waar we heen moeten.’
    ‘Oh ja, natuurlijk!’, trots schuift hij zijn horloge van onder zijn jas. ‘Uhm...’
    ‘Wat voor praatjes heeft het ding nu weer?’